Geen categorie

Ontmoedigende cijfers

In een vorige blog, kon je al heel wat informatie vinden over De 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen die  samen een actieplan vormen, aangenomen door de VN, om de armoede in de wereld terug te dringen.

De blog – https://wolput.com/2024/05/14/armoe-blijft-troef/ – focust op twee belangrijke indicatoren om de armoede te meten in onze stad. Met name rechthebbenden op een verhoogde tegemoetkoming en de werkzaamheid en werkloosheid

Maar ook wat het onderwijs betreft zijn er meerdere metingen die wijzen op (kans)armoede in Turnhout.
In deze blog licht ik je de cijfers graag toe en geef tegelijk ook aan hoe Turnhout zich positioneert in de regio en desgevallend ook in Vlaanderen.

Indicatorleerlingen lager en secundair onderwijs

Wat is hiermee bedoelt  Zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs wordt extra financiering voorzien, in de vorm van extra lesuren en/of werkingsmiddelen, op basis van het aantal leerlingen dat voldoet aan een aantal risicokenmerken De kenmerken die geëvalueerd worden zijn: scholing van de moeder, het krijgen van een schooltoelage of –toeslag, het al dan niet spreken van Nederlands thuis en het wonen in een buurt met een hoog percentage schoolse vertraging. Indicatorleerlingen zijn leerlingen die een schooltoelage of -toeslag ontvangen en/of een laaggeschoolde moeder hebben. 

De cijfers (eerste cijfer is % lln in lager onderwijs – tweede cijfers is secundair onderwijs)

Turnhout = 63,6 – 61,3; Oud-Turnhout = 32,6 – 33,6; Kasterlee = 33,8 – 31,9; Lille = 32,9 – 34,2; Vosselaar = 27,9 – 30; Beerse = 32 – 36,2

Geel = 35 – 38,4; Mol = 39,9 – 45,8; Hoogstraten = 37,4 – 38,9; Herentals = 42,4 – 44,3

Leerlingen die een schooltoeslag ontvangen

Wat is hiermee bedoelt  Het ontvangen van een schooltoeslag is een van de risicokenmerken van leerlingen in het basisonderwijs op basis waarvan extra financiering van scholen voor de aanpak van kansarmoede op school berekend wordt. De toekenning van een schooltoeslag is gebaseerd op het gezinsinkomen en geeft een aanduiding van de financiële draagkracht van het gezin en dus ook van het pedagogisch (thuis)comfort: tijd, studieruimte en koopkracht voor goederen die het leren bevorderen.

De cijfers 1e cijfer : BO; 2e cijfer is SO

Turnhout = 55,4 – 52,9; Oud-Turnhout = 28,6 – 27,7; Kasterlee = 29,3 – 26,9; Lille = 29,2 – 28,8; Vosselaar = 23,7 – 26,3; Beerse = 26 – 29,5 – 50,9

Geel = 30,6 – 33,7; Mol = 35,4 – 41,2; Hoogstraten = 27 – 31; Herentals = 35,8 – 36,6

Vlaamse centrumsteden : Aalst = 47,3 – 45,2; Antwerpen = 59,7 – 62,9; Brugge = 33 – 35,9; Gent = 45,2 – 47,2; Genk = 54,2 – 57,3; Hasselt = 37,3 – 39; Kortrijk = 38,4 – 43,4; Leuven = 33,3 – 34,8; Mechelen = 45,1 – 50,8; Oostende = 53,8 – 52; Roeselare = 37,5 – 35,7; Sint-Niklaas = 49,4 – 50,9;

TURNHOUT = 55,4 – 52,9

Vroegtijdige schoolverlaters

Wat is hiermee bedoelt Een vroegtijdige schoolverlater wordt gedefinieerd als een leerling die niet langer leerplichtig is en die een regulier kwalificerend traject van het Vlaams secundair onderwijs verlaat zonder kwalificatie met beroepsfinaliteit, dan wel een finaliteit doorstroom hoger onderwijs. Een vroegtijdige schoolverlater verlaat dus het Vlaams secundair onderwijs zonder een kwalificatiecriterium (zoals een diploma secundair onderwijs, een getuigschrift in het beroepssecundair onderwijs (BSO), deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) of buitengewoon secundair onderwijs (BuSO) of certificaat in de leertijd of het modulair stelsel) te behalen.  

De cijfers (%) Turnhout = 18,3; Oud-Turnhout = 8,6; Kasterlee = 9,1; Lille = 7,7; Vosselaar = 8; Beerse = 9,2

Geel = 10,5; Mol = 13; Hoogstraten =8,7; Herentals = 10,6

Vlaamse centrumsteden : Aalst = 14,1; Antwerpen = 21,2; Brugge = 10,3; Gent = 17,8; Genk = 17,6; Hasselt = 12,9; Kortrijk = 12; Leuven = 13,1; Mechelen = 15,6; Oostende = 17,2; Roeselare = 11,9; Sint-Niklaas = 15,7

TURNHOUT = 18,3

Schoolse vertraging

Wat is hiermee bedoelt De schoolse vordering wordt berekend op basis van een vergelijking tussen het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven en het leerjaar waarin de leerling op grond van zijn geboortejaar en bij normale studievordering ingeschreven zou moeten zijn. De cijfers omvatten de leerlingen die in de gemeente wonen en 2 jaar of meer schoolse vertraging hebben opgelopen ten opzichte van leerlingen van dezelfde leeftijd.  

De cijfers (%) Turnhout =4,8; Oud-Turnhout = 2,6; Kasterlee =3,1; Lille = 1; Vosselaar = 1,5; Beerse = 1,9

Geel = 2,3; Mol = 4,4; Hoogstraten = 2,7; Herentals = 2,6

Vlaamse centrumsteden : Aalst = 4,4; Antwerpen = 6,7; Brugge = 3; Gent = 6,6; Genk = 5,2; Hasselt = 4,1; Kortrijk = 4,7; Leuven = 3,5; Mechelen = 4,4; Oostende = 9,4; Roeselare = 3,8; Sint-Niklaas = 4,6

TURNHOUT = 4,8

Centrumsteden kampen allemaal met gelijkaardige problemen. Maar telkens weer valt het op dat Turnhout als kleinste van die 13 Vlaamse centrumsteden maar al te vaak de stad is die bij de hoogste in rang scoort… er is dus wel degelijk een verschil in de hoegrootheid (omvang) van de problematieken…

Kanttekening

Wie de actualiteit wat heeft opgevolgd, weet dat de verdeling van de gelden uit het gemeentefonds, bij de vorming van een nieuwe Vlaamse regering, na 9 juni, zeker op tafel zal komen. Zowat alle -kleinere- gemeenten vinden dat zij te weinig krijgen. Maar enkel een herverdeling van middelen, zonder de architectuur te veranderen -lees fusie verplichten- is niet te verdedigen !

En misschien moeten de beleidsmensen uit de buurgemeenten van Turnhout deze blog en de vorige armoe blijft troef, maar eens aandachtig doornemen…

Het zou alvast een nuttige denkoefening zijn om de bestuurders van KORDIA -dat is de nieuwe naam van het samenwerkingsverband regio in transitie en omvat naast Turnhout de gemeente  Oud-Turnhout; Kasterlee, Lille, Vosselaar en Beerse-te confronteren met deze cijfers.

https://www.kordia.be/

Standaard